038 4270470     info@bbk.nl

General Synod Zuidhorn 2002-2003 – Article 26

 

Kerkelijk onderzoek van wie aan een andere theologische universiteit afstudeerden

 

 

Besluit 1:

de bepalingen voor de toelating tot de dienst van het Woord van wie niet aan de eigen theo­logische universiteit afstudeerden, zoals vastgesteld door de Generale Synode Rotterdam-Delfshaven 1964–1965, Acta art. 105c ad c (en zoals zakelijk gehandhaafd door de Generale Synode Berkel en Rodenrijs 1996, Acta art 31, besluit 3 lid 2, en door de Generale Synode Leusden 1999, Acta art 28, aanhef besluit 3) vervallen te verklaren.

Grond:

genoemde bepalingen vragen om een examen inzake de kennis, het inzicht en de vaardigheid, afgenomen door de hoogleraren van de Theologische Universiteit in een classisvergadering. Deze examinatie zal alleen plaatsvinden als de examinandus een binnen- of buitenlands getuigschrift kan overleggen, waaruit blijkt dat hij een zodanige ontwikkeling heeft verworven, als geëist mag worden voor het afleggen van het kandidaats- of doctoraalexamen in de theologie. De gewijzigde structuur van de opleiding en examinatie aan de eigen Theologische Universiteit vraagt om een gewijzigde vorm voor het begeleiden van wie toelating tot het ambt van predikant wenst, maar (nog) niet in het bezit is van een doctoraal diploma met aantekening praktische vorming van de eigen Theologische Universiteit.

 

Besluit 2:

dat als wettige beroepbaarstelling voor de Nederlandse kerken slechts geldt een beroepbaarstelling door een Nederlandse classis.

Grond:

Nederlandse classes zijn het best in staat om te beoordelen of verwacht mag worden dat een kandidaat met vrucht als predikant zal kunnen werken in de Nederlandse context.

 

Besluit 3:

de volgende regeling vast te stellen:

Wanneer een broeder die wel een universitaire opleiding in de theologie in binnen- of buitenland heeft gehad, – hetzij afkomstig uit een zusterkerk, hetzij uit een andere kerkelijke gemeenschap –, maar niet in het bezit is van een doctoraal diploma met aantekening praktische vorming van de eigen Theologische Universiteit, toelating tot het ambt van predikant wenst, zullen de volgende regels gelden:

1. De aspirant verzoekt om een attest van de kerk(en) waartoe hij de laatste twee jaar behoorde, waarin een geargumenteerde beoordeling wordt gegeven omtrent de vraag of hij voldoet aan de voorschriften die de Heilige Schrift bevat ten aanzien van de leer en de levenswandel van hen die staan naar het ambt van dienaar van het Woord.

2. De aspirant meldt zich ter inschrijving aan bij de Theologische Universiteit met het attest van de kerkenraad en met (kopieën van) zijn relevante diploma’s.

3. In (een) oriënterend(e) gesprek(ken) van de aspirant met de docenten wordt bepaald of hij een aanvullend studieprogramma dient te volgen om op een goede wijze als predikant in de kerken in Nederland te kunnen dienen. Indien dit nodig is, stelt de senaat dat studieprogramma vast. Indien niet nodig, ontvangt hij een getuigschrift waarmee hij zich kan presenteren bij de classis voor een beroepbaarstellend onderzoek.

 

4. Na voltooiing van dit studieprogramma ontvangt de aspirant het doctoraal diploma van de Theologische Universiteit met de aantekening praktische vorming.

5. De classis neemt het beroepbaarstellend onderzoek volgens de geldende regels af.

 

Ecclesiastical examination of those who have completed their studies at another theological university

 

Decision 1: (The synod decides)

With respect to admission to the ministry of the Word for those who have not completed their studies at our own theological university, to rescind the stipulations adopted by GS Rotterdam-Delfshaven 1964-65, art. 105 c ad c (as substantively maintained by GS Berkel en Rodenrijs 1996, art. 31, decision 3.2 and GS Leusden 1999, art. 28, opening, decision 3).

 

Ground:

These stipulations require an examination with respect to knowledge, understanding and skill, held by the professors of the Theological University in a meeting of the classis. Such an examination shall only take place if the person to be examined can submit an inland or foreign attestation, which gives proof that his qualifications measure up to those which might be expected for someone sustaining a candidate exam or a ‘doctoraal’ examination in theology. The changed structure of the education system and examination structure at our own Theological University requires a new form for leading those who desire the office of minister but do not (yet) hold a ‘doctoraal’ diploma with a certificate of practical experience from our own Theological University.

 

 

Decision 2: (The synod decides)

That a person can only be declared eligible for call in the Dutch churches by a Dutch classis.

 

Ground:

Dutch classes are best capable to judge whether one can expect a candidate to labour fruitfully as minister in the Dutch context.

 

 

Decision 3: (The synod decides)

To adopt the following regulation:

For a brother who has followed a university education programme in theology in The Netherlands or elsewhere – regardless of whether he comes from a sisterchurch or another church community –, who does not have a ‘doctoraal’ diploma with a certificate of practical experience from our own Theological University and who desires admission to the office of minister, the following rules shall apply:

1. The aspiring person shall request an attestation from the church(es) to which he has belonged in the last two years, which will contain a motivated judgement with respect to the question whether he measures up to the prerequisites which Holy Scripture contains with respect to doctrine and life of those who seek the office of minister of the Word.

2. The aspiring person shall report to the Theological University with the attestation of the church council and with (copies of) relevant diplomas, all with a view to enrolment.

3. Via (an) orientational discussion(s) of the aspiring person with the lecturers it shall be determined whether supplementary study is required for this person to serve the churches in The Netherlands adequately as minister. If this is necessary, the senate shall determine the study programme. If this is not deemed necessary, he will receive a testimony with which he can present himself to the classis in order to be examined with a view to being declared eligible for call.

4. Upon completing the study programme the aspiring person will receive the ‘doctoraal’ diploma from the Theological University with the certificate of practical experience.

5. The classis will then hold the examination with a view to being declared eligible for call according to the rules in force.